Met haiku door de seizoenen

Haiku is een japanse dichtvorm van drie regels, waarvan de eerste regel uit 5 lettergrepen bestaat, de tweede regel uit 7 en de laatste regel weer uit 5 lettergrepen. De haikudichter probeert in deze drie regels een beeld op te roepen van iets dat hij heeft gezien of ervaren in de natuur. De seizoenen spelen een belangrijke rol in de haiku.
 
Het maken van een haiku heeft therapeutische waarde. Om een beeld te vangen en in een haiku om te zetten is het nodig je in het NU te bewegen en je te focussen op dat wat zich in het moment aandient aan gevoel, ervaring en beeld. Ik geef mij cliënten regelmatig als huiswerk op om naar buiten te gaan en op deze manier een belevenis vorm te geven in een haiku. Zelf beleef ik iedere dag genoegen aan op deze manier mijn ervaringen in de natuur vorm te geven in een haiku.
 
Hieronder mijn eigen lentehaiku:
 
Zonder mijn jas aan                         Op een lantaarnpaal                                       Als een engeltje
in de februarizon                             verklaart een duif zijn meisje                          spreidt de kleine staartmees
de lente proeven                              eeuwige liefde                                              zijn staart en vleugels uit
 
Een heel zacht piepje                       Boven mijn hoofd geeft                                 Halsbandparkieten
een vogeltje wordt wakker              een roodborstige roodborst                            ze snavelen vol hartstocht
de dag komt eraan                          een privé concert                                          de lente kriebelt
 
 
Te kleine ekster                              Bijna teder klinkt                                           Midden in de stilte
vecht met een té grote tak               de roep van roofvogels                                   liggen alle antwoorden
voor zijn liefdsesnest                       hoog aan de hemel                                        waar we naar zoeken
 
Dik grijs wolkendek                        Twee jonge eksters                                       Groene parkieten
koude handen aan het stuur              bouwend aan hun eerste nest                         en een strakblauwe hemel
de lente verstopt                              pril, maar puur geluk                                    maken geen zomer
 
In de motregen                               Een dood meerkoetje                                    Op een hemelsblauwdoek
een boos tjilpend roodborstje            langs het pad waarop ik loop                         schilderen kale takken
op een rietstengel                            voor hem geen lente                                     hun eigen portret
 
Een ekster met tak                           De regendruppels                                        Zes vlaamse gaaien
voorbode van de lente                      vangen hangend aan een tak                          luiden schreeuwend en vechtend
of een vergissing                             de zonnestalen                                             de nieuwe dag in
 
Gestreeld door de wind                    De lege nesten                                             Je hoort hem eerder
bedwelmd door geur en geluid          raken langzaam bevolkt                                 veel eerder dan je hem ziet
de lente geproefd                             met veel nieuw leven                                    kleine bonte specht